22 juni 2009

Yay! Mijn allereerste officiële veldwerkstage is begonnen. Twee weken lang mogen ik en mijn mede-studenten meewerken aan de opgraving in Oegstgeest door Archol, het commerciële bedrijf van de faculteit der archeologie van de universiteit van Leiden.

De opgraving bevindt zich in Oegstgeest, bij het Corpusmuseum. Eerder is er een inventariserend veldonderzoek geweest waaruit is gebleken dat er sporen zaten van een middeleeuwse nederzetting. Dit betekent dat er huisplattegronden te vinden zijn, evenals waterputten, afvalkuilen en greppels. In 2005 zijn er voor het eerste opgravingen gedaan door Archol. Meer informatie hierover vind je op de website van Archol: Oegstgeest Rijnfront-Zuid Corpus.

Er staan nu studentenbarakken op het terrein, maar deze zouden worden verwijderd voor een ander bouwproject. Dit project is nu op de lange baan geschoven wegens de woningnood van studenten in de omgeving van Leiden. Toch gaat de opgraving wel gewoon door.

Het is gebleken dat het om een Merovingische nederzetting gaat. De Merovingische periode duurt van ongeveer 400 tot 750 na Christus en valt tussen de Romeinse tijd en de Karolingische tijd. Dit is de link naar het onderzoek zoals het op de website van Archol is beschreven: Oegstgeest Rijnfront.

Op dit moment is er een tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden dat in het teken staat van Dorestad – een Karolingische handelsstad. Onze nederzetting zou je kunnen beschouwen als het kleine broertje van Dorestad.

Zelf heb ik deze tentoonstelling bezocht om me een voorstelling te maken van het soort vondsten dat we tegen zullen komen. Mocht je nieuwsgierig zijn, dan kun je dat natuurlijk altijd zelf ook nog doen.

Onze opgraving is verdeeld over twee gebieden, die ik vanaf nu het havengebied en het nederzettingsgebied zal noemen.

Eerder dit jaar heb ik een field school doorlopen, waarin ik allerlei oefeningen heb gedaan voor het echte werk in het veld. Vandaag werd er het een en ander herhaald.

Allereerst kregen we een rondleiding over de opgraving. Zoals ik al schreef, zijn er twee gebieden en tussen die twee gebieden staat ons ‘hoofdkantoor’. Dat wil zeggen: drie dixies, twee keten en een container. Een keet voor de opgravingsleiders en een keet voor ons, eerstejaarsstudenten. In de container wordt alles met betrekking tot de opgraving opgeslagen (onze schoppen, andere werktuigen, piketjes, meetlinten en eventueel nog niet verwerkte vondsten).

Daarna kregen we onze eerste oefening in een van de putten in de nederzetting. Een put is de term die gebruikt wordt voor een specifiek gedeelte van het op te graven gebied. Voor de opgraving wordt er een gebied bepaald waarin wordt gegraven. Vervolgens wordt dat gebied opgedeeld in putten die om en om – in een dambordpatroon – worden uitgegraven. Een put open en de stort wordt op het tweede vlak gelegd. De derde wordt geopend, en de stort komt op het vierde vlak terecht et cetera.

De bovenste 40 centimeter wordt door de graafmachine afgegraven. In deze laag zitten namelijk continue verstoringen, waardoor de archeologische waarde bijna nul komma niks is. We kunnen geen informatie meer uit de context halen, omdat die is verstoord. In tegenstelling tot wat veel mensen geloven, zijn het niet zo zeer de vondsten die de waarde hebben, maar juist de context van de vondsten: waar de vondsten precies worden gevonden, in welke sporen.

In die 40 centimeter kunnen wel degelijk (mooie) vondsten zitten, maar daar wordt niet naar gekeken. Een goede tip dus, voor liefhebbers. Als de put weer is dichtgegooid en de opgraving is afgesloten, ga dan gerust eens over het omgewoelde stuk lopen. Wellicht vind je een potscherf of iets dergelijks.

Maar let erop! Ga nooit in open putten lopen en probeer zo veel mogelijk bij een open opgraving uit de buurt te blijven als er niemand is. Je weet namelijk nooit wat je allemaal kapot maakt en onherstelbaar vernietigd als je zelf rond gaat lopen. Geschiedenis is een eenmalig iets en als het verdwijnt, komt het nooit meer terug. Verstandiger is om tijdens de werkzaamheden naar de archeologen toe te lopen en te vragen wat ze aan het doen zijn. We willen best vragen beantwoorden en misschien heb je zelfs geluk dat we je kort even wat laten zien van onze huidige werkzaamheden.

Nadat een put is geopend door de graafmachine, gaan archeologen met een schop het oppervlakte van de put vlak maken. Afschaven, heet dit. Voorzichtig wordt er met de schop een bovenste laagje van het oppervlakte (het vlak) afgeschaafd om de sporen beter zichtbaar te maken. Er is hier een compleet uitgewerkt systeem voor, zodat er geen rommel op het vlak blijft liggen en de sporen duidelijk zichtbaar worden.

Sporen zijn donkere vlekken die zichtbaar zijn tegen de lichte ondergrond. Vaak zijn ze grijs of bruin. De sporen kunnen van alles zijn en daar komen we pas achter als we gaan onderzoeken, hoewel veel soorten sporen met het blote oog vaak wel te herkennen zijn.

De sporen hoeven niet allemaal oud te zijn – het kunnen ook heel recente sporen zijn. Deze recente sporen noemen we verstoringen, omdat ze de oude sporen (de sporen die we willen onderzoeken) hebben verstoord. Je herkent ze vaak heel gemakkelijk, omdat ze over de andere sporen heen liggen. Ze snijden daar vaak doorheen.

Een van deze recente sporen, mochten wij gaan couperen. Dat wil zeggen dat we dwars op het spoor een stuk uitgraven om te zien wat het profiel van het spoor is, dus hoe diep het spoor in de grond loopt en welke vorm het spoor heeft.

Het spoor was een greppel, vrij recent en bevatte niet veel bijzonders. Toch hebben we er een profieltekening van gemaakt, want dat was een goede herhalingsoefening. Op blokjespapier tekenen we de vorm van het profiel van het spoor in op een schaal van 1:20. Het zijn dus maar kleine tekeningetjes.

Vervolgens noteren we de kleur en de textuur van de verschillende vullingen in het spoor: is het zand of klei? En hoeveel zand of klei zit er dan in? Bevat het silt? Daarvoor gebruiken we de textuurdriehoek.

Als laatste interpreteren we de sporen: is het een paalgat of een paalkuil? Een paalgat ontstaat doordat een paal de grond in is geslagen en een paalkuil is een gat dat is uitgegraven om er een paal in te stoppen en daarna weer is gevuld met zand om het aan te drukken. En ja, dat is een verschil dat heel erg goed te zien is in de grond.

Deze informatie zegt ons iets over de werkwijze van de mensen die hier gewoond hebben, bijvoorbeeld hoe ze hun huizen hebben gebouwd.

’s Middags heb ik gewerkt met het waterpasinstrument en de total station.

Het waterpasinstrument wordt gebruikt om het NAP te berekenen van bepaalde punten op de opgraving. Soms zijn het meetpunten die worden gebruikt om tekeningen te maken en soms gaat het om de hoogte van sporen en/of vondsten.

De total station is een enorm nauwkeurige digitale broer van de waterpasinstrument, gecombineerd met de theodoliet. Je kunt er afstanden en hoogtes mee bepalen. Met behulp van een total station (TS) wordt er vaak aan de hand van het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel een lokaal coördinatenstelsel uitgezet, waarmee in de opgraving wordt gemeten. Dit is vaak gemakkelijker als je coördinaten moet intekenen of documenteren. Later, na de opgraving, worden al die lokale coördinaten weer omgerekend naar Rijksdriehoekscoördinaten.

Ook het werken met deze twee apparaten bestond uit herhalingsoefeningen. Alle kennis bleek nog vers in mijn geheugen te zitten, dus dat was alleen maar goed nieuws.

Ondanks de leuke dag, heb ik toch wel zin in het echte werk, hoor!

Leave a Reply