24 juni 2009
Poeh! Mijn voeten laten zich vandaag wel gelden. Ik ben niet gewend om op kisten te lopen en op de opgraving gedraag je je toch een beetje als een menselijke berggeit. Je klautert van hot naar her, over de stortbergen heen, slalommend langs de uitgegraven coupes en sporen, uit de ene put en in een andere.
Het blijkt wel een goede manier om je kisten in te lopen, hoewel je voeten graag protesteren tegen de rigoureuze methode.
Vandaag was er een wasdag. Met een groep konden we vondsten gaan wassen.
Het klinkt misschien heel saai, vooral als ik ga vertellen dat we een halfschone bak pakken (je weet wel, zo’n witte latexemmer), samen met wat lange satéprikkers en een doodnormale tandenborstel. Dat saaie valt echt reuze mee. Je komt er namelijk precies achter wat er allemaal gevonden is op de opgraving en dat is enorm interessant.
De grond van de opgraving is erg kleiig, omdat de Oude Rijn daar in de Merovingische periode heeft gelopen. De Rijn stroomde toen nog niet zo snel, waardoor ook klei de kans kreeg om naar de bodem te zakken. Klei is fijner dan zand en wordt daarom sneller door stroming meegesleurd. Zand, dat zwaarder is, zakt dus sneller naar de bodem dan klei.
Deze klei blijft goed aan de vondsten plakken en wordt in de brandende zon knetterhard. In het veld worden de vondsten gewoon in zakken gestopt – later wordt bekeken wat het is en of het waardevol is. Soms vind je dus gewoon kleibrokken in de vondstzakken en zie je na goed boenen pas wat er eigenlijk gevonden is. Of het blijken echt gewoon kleibrokken te zijn.

Er is echt enorm veel bot gevonden. En dan bedoel ik echt enorm veel bot. Ik heb het niet over tientallen stukjes bot, maar werkelijk over honderden stukken bot. Het meeste bot komt van runderen of varkens, maar ik heb ook een kippenbotje gevonden.
De ruggenwervels, beenderen van poten en de ribben zijn nog wel vrij gemakkelijk schoon te krijgen, maar de kaken zijn een crime. De tanden neigen los te zitten en je wilt natuurlijk niet degene zijn die ze uit de kaak wipt, maar de klei is er moeilijk af te krijgen. Ook zitten er overal gaten voor pezen en spieren, waar uiteraard ook de klei in zit.
Dus daar zit je dan met je satéprikker en je tandenborstel de tanden van een rund te poetsen dat al 1500 jaar geleden is gestorven. Nuttig beroep, archeoloog!
Tussen de vondsten zit ook regelmatig hoorn en gewei of stukjes aardewerk. Ik ben zelfs een stukje vuursteen tegengekomen, een afslag (wat eraf geslagen wordt om een vuistbijl of een pijlpunt over te houden). Dit is best apart, aangezien in de middeleeuwen geen vuursteen meer werd gebruikt. Ergens in de prehistorie hebben hier dus ook mensen gewoond.
Na het wassen leggen we de vondsten te drogen in de zon, voordat ze naar een depot worden afgevoerd voor later onderzoek.
July 6th, 2009 at 11:15 am
Toch heeft het volgens mij wel wat….iets in je handen houden wat honderden jaren oud is.
Dan poets je toch met liefde de tandjes van een oud rund?
July 6th, 2009 at 2:48 pm
Hey Agnes,
Uiteraard doe je het met liefde. Het is een bijzonder gevoel om zulke dingen in je hand te houden.
Een stuk bot waar je de snijsporen ontstaan door het vleeseten nog in kunt zien, een scherf aardewerk dat ooit deel heeft uitgemaakt van een gave kom waar de mensen hun voedsel uit aten et cetera.
Maar aan alles zitten nadelen: de kaken van vooral runderen zijn echt moeilijk schoon te krijgen. Daarbij zijn ze erg poreus en breken ze snel af, dus je moet het ook nog eens heel voorzichtig doen (wat wel weer meteen een leuke uitdaging is).
Na een hele dag bot wassen, kun je ’s avonds de lucht van je handen trouwens niet meer uitstaan. Oud bot heeft een heel specifieke geur die in de poriën van je handen trekt.