Archive for July, 2009

‘Ik voel een klik met ‘t verleden’

Wednesday, July 8th, 2009

LEIDEN - Met Harry Potter heeft ze niets van doen. Evenmin met vliegende bezemstelen. Met de liefde voor de natuur des te meer. Hekserij heeft daarom haar warme belangstelling. Marissa Kollenstart (21), geboren in Nijverdal en woonachtig in Leiden, lacht als opgemerkt wordt dat haar achternaam wel erg overeenkomt met haar interesses. ‘Ja, dat past wel heel mooi. In Twente is toverkol een typisch woord voor een heks.’
                                                                                             Kollenstart heeft aanleg om met andere
                                                                                             levende wezens dan mensen te kunnen
                                                                                             communiceren. (Foto: Peter van Evert)

Marissa Kollenstart heeft niets wat het traditionele beeld van een heks zou kunnen bevestigen. Hoogstens kan van haar gezegd worden dat ze niet direct voldoet aan de gangbare verschijning van een moderne jonge vrouw. Ze is gekleed in een prachtige roodzwarte jurk, wat haar iets mystieks geeft. Op de een of andere wijze flatteert het de Twentse, die sinds vorig jaar in Leiden woont en archeologie studeert aan de Leidse Universiteit.

Kollenstart studeert archeologie omdat ze geïnteresseerd is in oude culturen, hoe de mens vroeger leefde. ‘Ik heb veel moeite hoe tegenwoordig de bureaucratie de maatschappij overheerst. Natuurlijk waren er vroeger ook problemen, maar toch trekt het leven van toen me heel erg aan. Zoals dat nog te vinden is bij volkeren als de Aboriginals en Indianen in Amerika. Mensen die echt van het land leefden. Dat heeft ook te maken met mijn hekserijachtergrond. Ik wil bewust leven. Dat had ik als kind al. Naarmate ik ouder werd voelde ik een klik met het verleden.’

Klik
Het is die ‘klik’ die haar aanzette tot een studie archeologie. ‘Ik wil graag te weten komen hoe mensen in die tijd precies leefden.’ Die queeste kan in het verlengde worden gezien van een hobby als hekserij. ‘Alles wat ik doe is met elkaar verbonden. Mijn familie heeft niets met hekserij, toch ben ik er mee opgegroeid. Als er iets met een plant of dier mis was, dan voelde ik dat.’ Haar aanleg om met andere levende wezens dan mensen te kunnen communiceren werd door haar buren erkend. Af en toe werd ze als jonge meid geconsulteerd als er met een dier iets aan de hand was. Ze vond het allemaal vrij normaal, tot zij zich op 11-jarige leeftijd echt bewust werd van haar gave en erover ging lezen.

Hekserij
‘Ik weet niet precies waar en wanneer ik het ben tegen gekomen. Af en toe kwam het op mijn pad en trok het mijn aandacht. In die tijd werden er voor het eerst boeken over hekserij gepubliceerd. Kwam het naar buiten. Hekserij was een mysteriereligie, en misschien is het dat nu nog wel. Maar naarmate ik mij er meer in ging verdiepen, werd het steeds herkenbaarder.’ Hekserij wordt vaak in verband gebracht met satanisme, een stigma die het christendom op deze - volgens Kollenstart - natuurreligie heeft toegekend. ‘Alles wat niet tot het christendom behoorde zou heidens zijn of tot de ketterij behoren. En werd het met de duivel in verband gebracht. Maar satanisme heeft niets met hekserij te maken, maar meer met de religie van de oude Kelten, Germanen en Romeinen. Het was een polytheïstisch geloof, een pantheon, een geloof in meerdere goden. De Kelten bijvoorbeeld hadden goden voor het meer of voor het woud. Een soort wachters voor dat natuurgebied. In de hekserij komt dat terug.’ Dat hekserij in de huidige maatschappij nog steeds een negatieve bijklank heeft vindt ze jammer, maar ze zit er niet echt mee. Liefde en respect voor elkaar en alles wat leeft zijn voor haar van grotere betekenis. ‘Ik denk dat vooroordelen meer zeggen over zegt over de mensen die ze hebben, dan over de slachtoffers daarvan. Als mensen negatief over mij willen denken, dan moeten zij dat weten. Maar willen zij er iets over vragen, dan zullen ze merken dat het beeld dat zij hebben, niet juist is.’

Door: Ruud Pattiapon

Bron: Witte Weekblad 08 juli 2009

25 juni 2009

Monday, July 6th, 2009

Oei, oei! Ondanks dat ik zo’n beetje de hele dag heb gezeten, heb ik enorme last van mijn voeten. Dat komt door die kisten – in zitpositie zijn ze nog niet ingelopen. Of wordt dat dan ingezeten?

 

Gelukkig mocht mijn voetjes rust geven van het inzitten – ik mag de kisten weer gaan inlopen. In de haven!

 

De haven ligt vrij diep, op en onder grondwaterniveau, dus het was een geweldige modderpoel. Leuk joh!! Zomp, zomp, sluuuuuuuuuuurp!

Het is nog steeds erg warm en het koele grondwater is een welkome afwisseling. In de put is het veel koeler dan daarbuiten. Nog steeds wel goed insmeren, want met de reflectie op het water, neemt de hoeveelheid zonnestralen op je huid natuurlijk alleen maar toe. De hele keet stinkt weer naar zonnebrandcrème.

 

De afgelopen week hebben ze alle stukken hout die ze in de haven hebben gevonden op een tekening ingemeten. Aan mij en een amateur-archeoloog van de AWN de taak om al dat hout voorzichtig uit te graven, schoon te maken en in te pakken, waarna het naar een geïmproviseerd waterbassin wordt gebracht tot de houtspecialiste het komt ophalen. Waarom dat allemaal zo belangrijk is, zal ik vertellen als de houtspecialiste is langs geweest, want dan weet ik ook meteen precies wat ze er mee gaat doen. Nu kan ik je alleen maar vertellen waarom hout in het algemeen zo belangrijk is en waarom dit hout belangrijk is.

 

Allereerst moet ik met behulp van een waterpasinstrument de daghoogte berekenen. De daghoogte is de hoogte van het waterpasinstrument en dat wordt gemeten met behulp van een vast punt – ingemeten met de total station in het lokale meetsysteem of een punt van het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel – waarvan de exacte NAP-hoogte bekend is.

Vervolgens wordt het hout ingemeten – vandaag waren dat meer dan 40 metingen. Via berekeningen wordt dan het NAP van de houtvondsten bepaald.

Nadat ik dit op de tekening had ingevuld, gingen ik en de amateur-archeoloog met de troffel in de aanslag de put in. Voorzichtig hebben we de dikke, kleiige modder rond het hout weggetroffeld, waarna we het hout uit de modder hebben getrokken. Voorzichtig, om niets te breken – vooral de punt niet, want die is belangrijk voor het onderzoek.

Daarna brachten we het hout naar een diep waterkuil in de put waar al het grondwater in werd afgevoerd. Archeologie is echt een veelzijdig vak. Je leert er bijvoorbeeld om grondwater af te voeren, zodat je put nog enigszins gangbaar is. ;) Altijd goede ervaring als je van kamperen houdt en in een wolkbreuk terecht komt.

Als laatste wordt het natte hout in plastic folie gepakt, zodat het goed bewaard blijft. Het hout moet goed nat blijven, omdat het anders gaat barsten en krullen. De enige reden waarom het hout 1500 jaar is goed gebleven, is omdat het onder grondwaterniveau zat. Zou het niet enorm zonde zijn als na 1500 jaar het hout alsnog kapot gaat, omdat het twee dagen boven de grond in de volle zon heeft gelegen?

Om die reden wordt het afgedekt met zeil als de opgraving voor de dag is afgesloten en wordt het gedurende de warme middag regelmatig met water overgooid in een poging om het hout te redden. Dat gaat tot nu toe redelijk goed.

Aan het einde van de dag brengen we al het geplastificeerde hout naar de waterbassin achter de container. We hebben een kuil uitgegraven, daar zeil ingelegd en die vervolgens gevuld met water. Daarin drijft al ons hout nu.

Tegen het einde van de middag moest ik een aantal andere medewerkers helpen met het inmeten van hun meetpunten voor de meetlinten om het profiel in te tekenen van de put. Helaas kwam ik er toen achter dat ik een heel stomme fout had gemaakt bij het aflezen van de daghoogte. Doordat de graafmachine aan het werk was en de wind hard waaide, moest ik het waterpasinstrument opnieuw waterpas zetten, waardoor er een nieuwe daghoogte ontstond. Toen ik die opnieuw bepaalde, bleek ik plotseling 30 centimeter verschil te hebben. Wat natuurlijk niet mogelijk is! Na een korte controle en nieuwe berekeningen, bleek dat de schade gelukkig beperkt was. Alle metingen waren in orde, ze moesten alleen opnieuw berekend worden. Maar goed ook, want het hout was al verwijderd en kon dus niet opnieuw ingemeten worden!

Helaas betekent het wel huiswerk voor mij: ik mag, na alles opnieuw berekend te hebben, morgen de vlaktekening corrigeren.

24 juni 2009

Sunday, July 5th, 2009

Poeh! Mijn voeten laten zich vandaag wel gelden. Ik ben niet gewend om op kisten te lopen en op de opgraving gedraag je je toch een beetje als een menselijke berggeit. Je klautert van hot naar her, over de stortbergen heen, slalommend langs de uitgegraven coupes en sporen, uit de ene put en in een andere.

Het blijkt wel een goede manier om je kisten in te lopen, hoewel je voeten graag protesteren tegen de rigoureuze methode.

Vandaag was er een wasdag. Met een groep konden we vondsten gaan wassen.

Het klinkt misschien heel saai, vooral als ik ga vertellen dat we een halfschone bak pakken (je weet wel, zo’n witte latexemmer), samen met wat lange satéprikkers en een doodnormale tandenborstel. Dat saaie valt echt reuze mee. Je komt er namelijk precies achter wat er allemaal gevonden is op de opgraving en dat is enorm interessant.

De grond van de opgraving is erg kleiig, omdat de Oude Rijn daar in de Merovingische periode heeft gelopen. De Rijn stroomde toen nog niet zo snel, waardoor ook klei de kans kreeg om naar de bodem te zakken. Klei is fijner dan zand en wordt daarom sneller door stroming meegesleurd. Zand, dat zwaarder is, zakt dus sneller naar de bodem dan klei.

Deze klei blijft goed aan de vondsten plakken en wordt in de brandende zon knetterhard. In het veld worden de vondsten gewoon in zakken gestopt – later wordt bekeken wat het is en of het waardevol is. Soms vind je dus gewoon kleibrokken in de vondstzakken en zie je na goed boenen pas wat er eigenlijk gevonden is. Of het blijken echt gewoon kleibrokken te zijn. :P

Er is echt enorm veel bot gevonden. En dan bedoel ik echt enorm veel bot. Ik heb het niet over tientallen stukjes bot, maar werkelijk over honderden stukken bot. Het meeste bot komt van runderen of varkens, maar ik heb ook een kippenbotje gevonden.

De ruggenwervels, beenderen van poten en de ribben zijn nog wel vrij gemakkelijk schoon te krijgen, maar de kaken zijn een crime. De tanden neigen los te zitten en je wilt natuurlijk niet degene zijn die ze uit de kaak wipt, maar de klei is er moeilijk af te krijgen. Ook zitten er overal gaten voor pezen en spieren, waar uiteraard ook de klei in zit.

Dus daar zit je dan met je satéprikker en je tandenborstel de tanden van een rund te poetsen dat al 1500 jaar geleden is gestorven. Nuttig beroep, archeoloog!

Tussen de vondsten zit ook regelmatig hoorn en gewei of stukjes aardewerk. Ik ben zelfs een stukje vuursteen tegengekomen, een afslag (wat eraf geslagen wordt om een vuistbijl of een pijlpunt over te houden). Dit is best apart, aangezien in de middeleeuwen geen vuursteen meer werd gebruikt. Ergens in de prehistorie hebben hier dus ook mensen gewoond.

 

Na het wassen leggen we de vondsten te drogen in de zon, voordat ze naar een depot worden afgevoerd voor later onderzoek.

23 juni 2009

Saturday, July 4th, 2009

Dag 2 van mijn stage.

De veldwerkkleding gaat weer aan: kisten met stalen neuzen, een broek met veel zakken (voor het veldwerkboekje, de vulpotlood, de troffel en eventuele andere zaken die je uit het veld mee moet nemen), een katoenen shirtje vanwege de warmte en natuurlijk het knaloranje vest met de reflecterende banden. In verband met de graafmachine die werkt, moeten we goed zichtbaar zijn. En ach, het logo van de universiteit staat op de achterkant van het vest, dus eigenlijk is het best nog wel cool. ;)

We staan te popelen om te beginnen. Zouden we vandaag aan het echte werk toe komen?

Eerst moeten we gaan vlaktekenen. Dat wil zeggen dat we het vlak van een put gaan intekenen op een vel papier met een schaal 1:50. Het is speciaal papier dat waterbestendig is. Voor het echte werk krijgen we ook nog speciale vullingen die watervast zijn, maar voor nu moeten we het met de gewone vullingen doen.

 

Nadat de graafmachine de put heeft geopend en de archeologen het vlak hebben afgeschaafd, gaan twee archeologen het veld op om de sporen te documenteren. Er worden foto’s gemaakt en de sporen worden ingekrast. Samen bepalen de archeologen waar de lijnen komen te staan, omdat die belangrijk zijn voor de coupes die straks gemaakt moeten worden.

Vervolgens worden alle sporen keurig ingetekend, de kleuren bepaald en de texturen genoteerd. Op de tekening komen, naarmate de opgraving vordert, nog veel meer te staan: hoe de coupes zijn gemaakt, wat voor soort sporen het zijn et cetera.

In de put die mijn groepje moest intekenen, waren de meetlinten al aangelegd. Deze meetlinten liggen op een afstand van drie meter van elkaar over de lengte van de put. Vervolgens pakt iemand een meetlat en meet in de breedte, via de lengte van de meetlijnen, hoe de sporen in het vlak liggen. Iemand anders noteert dit in een tekening.

Ook deze oefening was weer een herhalingsoefening en een beetje teleurgesteld gingen we aan het werk, wetend dat onze tekening straks weer zou worden uitgegumd om het dure papier te besparen. De put was toch al ingetekend.

Gelukkig waren we niet de hele dag bezig met het intekenen en rond het begin van de middag, toen we braaf de tekening hadden ingeleverd, kregen we te horen dat we mochten beginnen met couperen. Eindelijk kon het echte werk beginnen!

We kregen allemaal een klein spoor dat we eerst middendoor moesten uitgraven. Vervolgens moesten we er een foto van maken. Daarna een profieltekening – die goed werd gecontroleerd door onze begeleiders – en als laatste mochten we dan het spoor uitgraven.

Helaas! De fotoformulieren waren op. Als er een foto wordt gemaakt, dan worden er twee bordjes toegevoegd op die foto: eentje met een noordpijl en eentje met het fotonummer en de spoorgegevens.

Het fotonummer wordt weer op de profieltekening van het spoor geplaatst en op die manier is de administratie rond.

Omdat er geen fotoformulieren meer waren, was ons werk in principe nog voor spek en bonen, want een deel zou morgen weer overnieuw moeten worden gedaan. Weer een klein laagje van het spoor afhalen, weer een foto maken, de tekening controleren (heel misschien verandert het spoor wel qua vorm en kleur) en dan uitgraven. Dat laatste konden we natuurlijk niet doen, omdat een spoor – als die eenmaal is uitgegraven – voorgoed verdwenen is.

 

Wat we wel konden doen was met behulp van het waterpasinstrument het NAP van de sporen berekenen. Dat heb ik daarom maar gedaan – toch nog iets van het echte werk kunnen doen op deze tweede dag!

 

Na het opruimen bleken er nog een aantal mensen druk bezig te zijn met vondsten wassen. De vondsten uit elk spoor worden apart in een zak bewaard en als er meerdere vullingen in hetzelfde spoor zitten (bijvoorbeeld omdat hij in gedeeltes is volgegooid, of in het geval van een paalspoor: eerst een gat dat gegraven is voor de paal, vervolgens is de paal erin gezet, daarna is het gat dichtgegooid en zoveel jaren later is de paal verdwenen – eruit gehaald of verrot – dat geeft twee vullingen), dan worden de vondsten uit die vullingen ook weer apart bewaard.

 

De vondsten uit een zak moeten dus in een keer gewassen worden om te voorkomen dat ze gescheiden raken van elkaar – wat het onderzoek zou belemmeren en voor administratieve problemen zou zorgen.

Daarom hebben ik en een aantal anderen nog snel even een stoel aangeschoven om te helpen met wassen.

22 juni 2009

Friday, July 3rd, 2009

Yay! Mijn allereerste officiële veldwerkstage is begonnen. Twee weken lang mogen ik en mijn mede-studenten meewerken aan de opgraving in Oegstgeest door Archol, het commerciële bedrijf van de faculteit der archeologie van de universiteit van Leiden.

De opgraving bevindt zich in Oegstgeest, bij het Corpusmuseum. Eerder is er een inventariserend veldonderzoek geweest waaruit is gebleken dat er sporen zaten van een middeleeuwse nederzetting. Dit betekent dat er huisplattegronden te vinden zijn, evenals waterputten, afvalkuilen en greppels. In 2005 zijn er voor het eerste opgravingen gedaan door Archol. Meer informatie hierover vind je op de website van Archol: Oegstgeest Rijnfront-Zuid Corpus.

Er staan nu studentenbarakken op het terrein, maar deze zouden worden verwijderd voor een ander bouwproject. Dit project is nu op de lange baan geschoven wegens de woningnood van studenten in de omgeving van Leiden. Toch gaat de opgraving wel gewoon door.

Het is gebleken dat het om een Merovingische nederzetting gaat. De Merovingische periode duurt van ongeveer 400 tot 750 na Christus en valt tussen de Romeinse tijd en de Karolingische tijd. Dit is de link naar het onderzoek zoals het op de website van Archol is beschreven: Oegstgeest Rijnfront.

Op dit moment is er een tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden dat in het teken staat van Dorestad – een Karolingische handelsstad. Onze nederzetting zou je kunnen beschouwen als het kleine broertje van Dorestad.

Zelf heb ik deze tentoonstelling bezocht om me een voorstelling te maken van het soort vondsten dat we tegen zullen komen. Mocht je nieuwsgierig zijn, dan kun je dat natuurlijk altijd zelf ook nog doen.

Onze opgraving is verdeeld over twee gebieden, die ik vanaf nu het havengebied en het nederzettingsgebied zal noemen.

Eerder dit jaar heb ik een field school doorlopen, waarin ik allerlei oefeningen heb gedaan voor het echte werk in het veld. Vandaag werd er het een en ander herhaald.

Allereerst kregen we een rondleiding over de opgraving. Zoals ik al schreef, zijn er twee gebieden en tussen die twee gebieden staat ons ‘hoofdkantoor’. Dat wil zeggen: drie dixies, twee keten en een container. Een keet voor de opgravingsleiders en een keet voor ons, eerstejaarsstudenten. In de container wordt alles met betrekking tot de opgraving opgeslagen (onze schoppen, andere werktuigen, piketjes, meetlinten en eventueel nog niet verwerkte vondsten).

Daarna kregen we onze eerste oefening in een van de putten in de nederzetting. Een put is de term die gebruikt wordt voor een specifiek gedeelte van het op te graven gebied. Voor de opgraving wordt er een gebied bepaald waarin wordt gegraven. Vervolgens wordt dat gebied opgedeeld in putten die om en om – in een dambordpatroon – worden uitgegraven. Een put open en de stort wordt op het tweede vlak gelegd. De derde wordt geopend, en de stort komt op het vierde vlak terecht et cetera.

De bovenste 40 centimeter wordt door de graafmachine afgegraven. In deze laag zitten namelijk continue verstoringen, waardoor de archeologische waarde bijna nul komma niks is. We kunnen geen informatie meer uit de context halen, omdat die is verstoord. In tegenstelling tot wat veel mensen geloven, zijn het niet zo zeer de vondsten die de waarde hebben, maar juist de context van de vondsten: waar de vondsten precies worden gevonden, in welke sporen.

In die 40 centimeter kunnen wel degelijk (mooie) vondsten zitten, maar daar wordt niet naar gekeken. Een goede tip dus, voor liefhebbers. Als de put weer is dichtgegooid en de opgraving is afgesloten, ga dan gerust eens over het omgewoelde stuk lopen. Wellicht vind je een potscherf of iets dergelijks.

Maar let erop! Ga nooit in open putten lopen en probeer zo veel mogelijk bij een open opgraving uit de buurt te blijven als er niemand is. Je weet namelijk nooit wat je allemaal kapot maakt en onherstelbaar vernietigd als je zelf rond gaat lopen. Geschiedenis is een eenmalig iets en als het verdwijnt, komt het nooit meer terug. Verstandiger is om tijdens de werkzaamheden naar de archeologen toe te lopen en te vragen wat ze aan het doen zijn. We willen best vragen beantwoorden en misschien heb je zelfs geluk dat we je kort even wat laten zien van onze huidige werkzaamheden.

Nadat een put is geopend door de graafmachine, gaan archeologen met een schop het oppervlakte van de put vlak maken. Afschaven, heet dit. Voorzichtig wordt er met de schop een bovenste laagje van het oppervlakte (het vlak) afgeschaafd om de sporen beter zichtbaar te maken. Er is hier een compleet uitgewerkt systeem voor, zodat er geen rommel op het vlak blijft liggen en de sporen duidelijk zichtbaar worden.

Sporen zijn donkere vlekken die zichtbaar zijn tegen de lichte ondergrond. Vaak zijn ze grijs of bruin. De sporen kunnen van alles zijn en daar komen we pas achter als we gaan onderzoeken, hoewel veel soorten sporen met het blote oog vaak wel te herkennen zijn.

De sporen hoeven niet allemaal oud te zijn – het kunnen ook heel recente sporen zijn. Deze recente sporen noemen we verstoringen, omdat ze de oude sporen (de sporen die we willen onderzoeken) hebben verstoord. Je herkent ze vaak heel gemakkelijk, omdat ze over de andere sporen heen liggen. Ze snijden daar vaak doorheen.

Een van deze recente sporen, mochten wij gaan couperen. Dat wil zeggen dat we dwars op het spoor een stuk uitgraven om te zien wat het profiel van het spoor is, dus hoe diep het spoor in de grond loopt en welke vorm het spoor heeft.

Het spoor was een greppel, vrij recent en bevatte niet veel bijzonders. Toch hebben we er een profieltekening van gemaakt, want dat was een goede herhalingsoefening. Op blokjespapier tekenen we de vorm van het profiel van het spoor in op een schaal van 1:20. Het zijn dus maar kleine tekeningetjes.

Vervolgens noteren we de kleur en de textuur van de verschillende vullingen in het spoor: is het zand of klei? En hoeveel zand of klei zit er dan in? Bevat het silt? Daarvoor gebruiken we de textuurdriehoek.

Als laatste interpreteren we de sporen: is het een paalgat of een paalkuil? Een paalgat ontstaat doordat een paal de grond in is geslagen en een paalkuil is een gat dat is uitgegraven om er een paal in te stoppen en daarna weer is gevuld met zand om het aan te drukken. En ja, dat is een verschil dat heel erg goed te zien is in de grond.

Deze informatie zegt ons iets over de werkwijze van de mensen die hier gewoond hebben, bijvoorbeeld hoe ze hun huizen hebben gebouwd.

’s Middags heb ik gewerkt met het waterpasinstrument en de total station.

Het waterpasinstrument wordt gebruikt om het NAP te berekenen van bepaalde punten op de opgraving. Soms zijn het meetpunten die worden gebruikt om tekeningen te maken en soms gaat het om de hoogte van sporen en/of vondsten.

De total station is een enorm nauwkeurige digitale broer van de waterpasinstrument, gecombineerd met de theodoliet. Je kunt er afstanden en hoogtes mee bepalen. Met behulp van een total station (TS) wordt er vaak aan de hand van het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel een lokaal coördinatenstelsel uitgezet, waarmee in de opgraving wordt gemeten. Dit is vaak gemakkelijker als je coördinaten moet intekenen of documenteren. Later, na de opgraving, worden al die lokale coördinaten weer omgerekend naar Rijksdriehoekscoördinaten.

Ook het werken met deze twee apparaten bestond uit herhalingsoefeningen. Alle kennis bleek nog vers in mijn geheugen te zitten, dus dat was alleen maar goed nieuws.

Ondanks de leuke dag, heb ik toch wel zin in het echte werk, hoor!

Welkom

Friday, July 3rd, 2009

Hey beste reiziger,

Welkom op mijn web-log. Ik ben de admin van Temple of the Ancient Gods.
Mijn naam is Marissa, ik ben 21 jaar en woon in Leiden, waar ik archeologie studeer. Van jongs af aan heb ik al een interesse in de onderwerpen die met chique woorden archeologie en antropologie worden genoemd, met neigingen naar de (kunst)geschiedenis. Ik combineer dit op een persoonlijker en spiritueel vlak met mijn interesse en geloof in natuurreligies, zoals dat van de oude Kelten en Germanen en de huidige sjamanen wereldwijd.

Het zijn onderwerpen waar men over het algemeen niet zo in thuis is en ik heb gemerkt dat veel mensen het bijzonder fascinerend vinden. Vooral de combinatie veroorzaakt veel vragen, terwijl deze in mijn ogen niet meer dan logisch is. Vandaar dat ik heb besloten om een tipje van de sluier te lichten en hier wat te vertellen over de dingen die ik zoals meemaak op het gebied van mijn interesses en studies.

Mocht je vragen hebben, stel ze dan gerust. Ik zal proberen ze te beantwoorden als ik dat kan.

Liefs,
~*~Wings of Death~*~